Als we denken aan kinderen die moeite hebben met prikkels, denken we al snel aan overprikkeling: een kind dat handen voor de oren slaat, snel overstuur is of helemaal dichtklapt van de drukte. Maar er is een tweede vorm die minstens zo vaak voorkomt, maar bijna nooit wordt besproken: onderprikkeling.
Onderprikkeling wordt ontzettend snel gemist. Het wordt vaak weggzet als dromerig, lui, ongemotiveerd of juist druk en vervelend. Sterker nog, nu ik zelf precies weet wat onderprikkeling is, besef ik pas goed: ik was vroeger zelf ook zo’n onderprikkeld kind. Ik was veel aan het staren en werd door volwassenen vaak niet begrepen. Ze zagen de dromer, maar niet de motor die op zoek was naar de juiste brandstof.
Zelfs als volwassene merkte ik dit al snel. Als ik diep moest nadenken of tot inzichten wilde komen, ging ik bijna automatisch lopen of dingen opschrijven op een whiteboard. Zo liet ik mijn hersenen werken en gaf ik tegelijkertijd mijn lichaam de beweging die het nodig had. Ik kan mijn hersenen nu eenmaal niet optimaal gebruiken als ik de hele dag stil moet zitten.
Maar wat gebeurt er eigenlijk als je onderprikkeling niet herkent en een kind hier niet de juiste handvatten voor geeft?
Ik ben er heilig van overtuigd dat je prikkelverwerking het snelst en makkelijkst herkent als kinderen nog jong zijn. Als je ze op jonge leeftijd leert te luisteren naar hun eigen lijf en motor, geef je ze een kompas mee waar ze hun hele leven profijt van hebben.
Als we onderprikkeling niet op tijd herkennen, zie je dat kinderen op latere leeftijd vaak vastlopen:
Onderprikkeling verdient veel meer aandacht. Het is niet erg om onderprikkeld te zijn, als je maar weet wat je ermee moet doen.
Door er vroeg bij te zijn, leer je kinderen dat die innerlijke rust en die juiste balans te vinden zijn. Zodat ze niet hoeven te zoeken, maar precies weten hoe ze hun motor kunnen aanzetten wanneer dat nodig is.
reacties (0)