Het leed dat Jeugdbescherming heet
2016 — de prins op het witte paard,
alles was hij met me eens, beleefd, bedaard.
Een engel leek hij, nooit een hard geluid,
een mening kreeg je er niet uit.
Het enige signaal: vervelend met drank,
maar toen dat stopte werd alles weer blank.
Achteraf zie ik hoe het masker bleef staan,
hij wilde snel — huisje, boompje — en door.
Een simpele boer, charmant en fijn,
ik dacht: dit zal het zijn.
Zwanger van een prachtige meid,
maar de relatie bracht steeds meer strijd.
Met een kleine buik mocht ik niets tillen,
met een grote buik begon hij te verdwijnen.
Steeds vaker weg, steeds minder nabij,
de babykamer bouwde ik alleen — hij niet erbij.
Niet laf was ik, wel voorbereid,
ik wilde een veilige bevalling, zekerheid.
Een zwangerschapscursus werd ons plan,
maar hij wist daarna alles beter dan.
Advies van zijn schoonbroer, stoer en strak:
“Bij rugweeën help je niet lang, pak je kracht.”
“Alleen op het hoogtepunt druk je wat,”
alles al bedacht, elk detail paraat.
Het werd een badbevalling, thuis was het idee,
maar eenmaal in het water ging ik door het huis mee.
De weeën te snel, geen rust, geen grip,
plat op bed — rugweeën — precies zoals hij wist.
Mijn telefoon was weg, de zijne verdween,
ik kon niets ondernemen, stond er alleen.
Ik vroeg hem te timen, te bellen, te doen,
maar hij liep weg terwijl mijn lichaam het uitschreeuwde, moe.
“Bel de verloskundige,” riep ik met kracht,
maar hij zei aan de telefoon: “Ze stelt zich aan, is opgewonden.” zacht.
Ik riep: Dit is een weeënstorm, hoor mij dan,
maar hulp kwam pas na een uur — te laat, veel te lang.
“Je bent al aan het bevallen,” zei zij geschrokken,
zonder kraamzorg werd direct ingegrepen, onontkomen.
De ambulance kwam, mijn kracht was op,
de regie was weg — ik verloor de knop.
In het ziekenhuis wilden ze wachten, hij was verdwaald,
ik lag daar open, leeg, uitgehaald.
De knip kwam snel, het hartje daalde diep,
die nacht bleef ík wakker — terwijl hij sliep.
“Voor een veilige autorit,” zei hij zonder schaamte,
ik slikte mijn pijn, mijn lijf in verkramping.
Na haar geboorte wilde ik delen, vieren, bestaan,
maar mijn wereld werd klein, alles ging op slot, voortaan.
Corona was er, maar hij hield de deur dicht,
raambezoek was genoeg — meer mocht niet, geen licht.
De kraamverzorgster zag een vader zo goed,
maar zodra zij weg was, was ik weer alleen, uitgeput.
Ik mocht niets tillen, zei hij steeds weer,
maar ’s nachts deed ik alles — mijn bekken ging tekeer.
Kruipend de trap af, voor raamvisite en eten,
ik raakte geïsoleerd, niemand mocht het weten.
Naar buiten toe was hij perfect en fijn,
maar achter gesloten deuren moesten wij overleven — klein.
Het geweld begon al toen zij nog in mij groeide,
maar ik schaamde me, zweeg — niemand die het hoorde.
Na drie maanden zei ik: dit moet anders zijn,
maar hij zei: “Door misbruik lukt dit niet,” en legde het bij mij.
Samen naar huisarts, samen naar GGZ,
ik droeg hem, ondersteunde — hij bleef op de rem.
Autisme kwam, diagnoses erbij,
maar verantwoordelijkheid bleef altijd voorbij.
Hij zei dat hij dood wilde — ik schrok en bleef,
tot hij mij wurgde — toen sprak hij écht.
Veilig Thuis hoorde het, eindelijk licht,
maar daarna werd alles ontkend — en ik werd het gezicht.
Crisisplannen bleven onaf, steeds weer,
bij onrust kwam geweld, of hij reed honderd-tachtig, keer op keer.
Geen rust, geen rem, geen begrenzing dichtbij,
maar macht of verdwijnen — steeds hetzelfde erbij.
De signalen lagen open, voor wie dit kent,
controle, dreiging, isolatie — niemand onbekend.
Niet één moment, maar stap voor stap,
een patroon zo helder — en toch geen trap.
Na de scheiding verdween hij maandenlang,
mijn kind vergat zijn naam, noemde hem “opa”, zo bang.
Ik regelde opbouw, veiligheid, tijd,
maar hij kwam niet opdagen — tot hij haar opeiste, met strijd.
Jeugdzorg geloofde hem, hij sprak zo beheerst,
ik was moe, gebroken, mijn stem al geknecht.
Rapporten misten het verleden, risico’s vervaagden stil,
alles begon bij de scheiding — alsof geschiedenis dat wil.
Een onervaren jeugdbeschermer nam besluiten groot,
uitbreidingen zonder toezicht, zonder kijken naar nood.
Verhuizen deed hij stil, in vakantie en leegte,
wanneer niemand bereikbaar was, wanneer toezicht verbleekte.
Mails bleven onbeantwoord, verantwoordelijkheid ook,
men dook weg achter protocollen, achter schermen, koud en doof.
Op vakantie, met verlof — precies wanneer hij begon,
was het systeem afwezig, terwijl zijn druk weer won.
Maar tussen al het zwijgen en het wegkijken door,
was daar ineens iemand die mij wél verstond, gehoor.
De opvoed- en ouderschapsbegeleider bleven staan,
namen contact op in vakantietijd, bleven nabij, gewoon.
Geen oordeel, geen format, geen strak protocol,
maar menselijkheid — voorzichtig, maar vol.
En toch hing er iets breekbaars om dat licht:
alsof nabijheid mocht, maar niet te dicht.
Alsof een band iets was om te bewaken,
alsof zien en voelen al risico’s maakten.
Maar zij zagen mijn kind, niet het dossier of spel,
en in dat gezien worden brak iets open — heel stil, maar fel.
Voor het eerst sinds lange tijd
was er weer een streepje licht, een beetje veiligheid.
Niet omdat alles voorbij was of geheeld,
maar omdat iemand bleef — en dat maakte verschil.
De hulpverleners die ik had, weten over wie dit gaat,
ik zie het in hun stiltes, in wat niet meer wordt gevraagd.
Zij kennen dit patroon, dit verloop, deze druk,
ze hebben het vaker gezien — en herkennen het terug.
Maar weten werd bewaren, en zien werd laten gaan,
en wat niet werd begrensd, bleef naast mij bestaan.
Zo leeft het voort — niet luid, maar aanhoudend nabij,
druk die haat wordt, haat die weer druk is, steeds dichter bij mij.
En tussen die krachten staat een kind, nog klein,
dat leert wat normaal is, wat veiligheid zou zijn.
Geen breuk, maar een glijden, haast ongemerkt,
waar vervreemding groeit omdat bescherming ontbreekt.
Dit is geen vergissing, geen toeval, geen fout.
Dit is het leed dat Jeugdbescherming heet.
reacties (0)